HET ORGEL

 

Het huidige orgel, dat in 1919 werd aangekocht, was volgens het Registrum Memoriale van de parochie afkomstig uit de Evangelische Kerk te Barmen. Het nog bewaarde naamplaatje boven de klaviatuur geeft aan dat het instrument werd gemaakt door Friedrich Meyer orgelmaker te Herford.

De uit Versmold afkomstige Friedrich Bernard Meyer († 1897) begon zijn opleiding tot orgelmaker bij J.H. Hoffmann in Bielefeld. Na diens dood vertrok Friedrich Meyer naar Linnich waar hij van 1848 tot en met 1852 werkzaam was in de orgelmakerij van Wilhelm Korfmacher. Van 1853 tot 1856 werkte hij bij de firma Merklin & Schütze (Brussel) en aansluitend werkte hij nog enige tijd bij Christian Weil in Neuwied. In 1857 begon hij, geassisteerd door zijn broer Wilhelm, een orgelmakerij in Herford. Reeds in februari 1864 verliet Wilhelm Meyer de orgelmakerij en nam in het nabij gelegen Rinteln de werkplaats van Christian Wilhelm Möhling over. Friedrich Meyer zette daarop zijn bedrijf alleen voort. Tot zijn werknemers behoorde onder andere Carl Eduard Gesell (1848-1894), die in 1867 de orgelmakerij van zijn vader Ludwig Gesell († 1867) in Potsdam zou voortzetten.

Friedrich Meyer gaf een aantal malen een werklijst van zijn orgelmakerij uit. Volgens de laatste versie van deze lijst verlieten tussen 1858 en 1891 ruim 80 instrumenten zijn werkplaats. Nader onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat het in de meeste gevallen inderdaad volledig nieuwe orgels betrof. In een aantal gevallen blijken echter ook overplaatsingen en wijzigingen van reeds bestaande orgels te zijn opgenomen. Verder is duidelijk dat Meyer voornamelijk in de directe omgeving van Herford werkte; de meeste orgels vonden een plaats in Nordrhein-Westfalen. Inmiddels staat vast dat vrijwel alle instrumenten van Friedrich Meyer’s omvangrijke oeuvre verloren zijn gegaan. Voor zover bekend bleven slechts twee instrumenten bewaard: het orgel in de St.-Georgkirche te Paderborn (1887) en het orgel van de Utrechtse Sint-Josephkerk. Dit laatste instrument is het best bewaard en is bovendien het enige orgel van deze maker in ons land. Dit instrument, dat een schoolvoorbeeld is van de Westfaalse orgelbouw in de tweede helft van de 19de eeuw, is een fraaie verrijking van het kleurrijke Nederlandse orgellandschap en daarom van zeer grote cultuurhistorische waarde.

Op basis van de bovengenoemde werklijst staat het vast dat het huidige orgel van de Sint-Josephkerk tussen 1871 en 1875 werd gemaakt voor de Evangelische Johanniskirche te Barmen (thans Wuppertal). Gegevens over de bouw en het onderhoud van het orgel in de Johanneskirche zijn vrijwel niet te achterhalen want zowel de Johanniskirche als het archief gingen in 1943 verloren. Vermoedelijk is het orgel in 1872 opgeleverd, kort na de ingebruikneming van het kerkgebouw. Nader onderzoek van het orgel heeft duidelijk gemaakt dat het kort na de bouw twee keer gewijzigd moet zijn. Als eerste verving men de oorspronkelijke Lieblich Gedackt 8 van het Onderpositief door een Viola d'amore 8 (vanaf c). Mogelijk is bij die gelegenheid ook een tremulant aangebracht. In een latere fase verving met het tongwerk (vanaf c) van het Onderpositief door een volledige Aeoline 8 en voegde men op een kantsleep een Vox coelestis 8 (vanaf c) toe. Voor de bediening van de kantsleep gebruikte men de trekker van de tremulant. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de tinnen frontpijpen gevorderd. Kort daarna is het orgel in verband met een ingrijpende renovatie van het kerkgebouw verkocht.

De achtergronden van de Utrechtse aankoop van het orgel uit de Johanneskirche te Barmen zijn nauwelijks te achterhalen. Het instrument werd waarschijnlijk particulier gekocht want zowel de aankooprijs, alsmede de kosten voor de plaatsing zijn niet in de kerkrekeningen terug te vinden; ook de notulen van de kerkbestuursvergaderingen geven hierover geen duidelijkheid. De plaatsing van het orgel werd uitgevoerd door J.J. Elbertse. Het instrument kreeg bij deze gelegenheid nieuwe frontpijpen omdat de oude in de Eerste Wereldoorlog waren gevorderd. De feestelijke inwijding van het ‘nieuwe’ orgel vond plaats op eerste paasdag 1920.

Nauwelijks een jaar na de ingebruikneming vond de eerste kleine ingreep aan het orgel plaats. Om de klankuitstraling van het Onderpositief te bevorderen, werd het paneelwerk van de onderkas aan de voorzijde uitgezaagd. Een jaar later, in 1922, werd de Josephkerk voorzien van elektriciteit en kreeg het orgel een windmotor. Vanaf dit jaar zijn er dan ook geen betalingen aan de orgeltrapper in de kerkrekeningen opgenomen. Offertes voor de plaatsing van de windmotor werden gemaakt door de firma Vermeulen/Ypma te Alkmaar en de firma Elbertse te Soest. Uiteindelijk gaf men aan deze laatste de voorkeur. De windvoorziening, oorspronkelijk achter het orgel gelegen, onderging een enkele wijziging en vrijwel zeker werd het orgel op het bestaande oksaal verplaatst. Elbertse paste de windkanalen aan de nieuwe situatie aan en de oude magazijnbalg werd boven op het orgel geplaatst; de trapinstallatie verdween.

Ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de kerk in 1925/26 voerde Elbertse opnieuw enkele wijzigingen uit. Het orgel kreeg een nieuwe Trompet 8 (hoofdwerk) en van de doorslaande Bazuin werden de bekers vervangen. Tevens werd op het Onderpositief een Hobo 8 toegevoegd op een aparte pneumatisch bediende lade. In 1974 onderging het instrument beperkt herstel en werd de tractuur van de in 1925 geplaatste Hobo weer verwijderd. De bijbehorende windlade en het pijpwerk waren sindsdien onder in de kas opgeslagen.

Na een lange periode van voorbereiding kon in 2008 worden gestart met een algehele restauratie van het instrument. Het werk is uitgevoerd door de orgelmakers Gebr. Van Vulpen (Utrecht) onder advies van dr. A.A.M.J. van Eck. Een belangrijke ontdekking was dat een (zeer groot) deel van het pijpwerk was geleverd door Carl Eduard Gesell, de voormalige leerling van Friedrich Meyer. Het orgel heeft daarmee voor een deel Oost-Duitse wortels. Bij deze voltooide restauratie is het instrument weer zoveel mogelijk in de oorspronkelijke toestand teruggebracht. De ontbrekende registers zijn gereconstrueerd en het orgel kreeg nieuwe tinnen frontpijpen. De beide labiaalregisters zijn ontleend aan het orgel zelf; de beide tongwerken zijn gebaseerd op het Ladegast-orgel (1871) van de Dom in Schwerin. De feestelijke ingebruikneming vond plaats op 30 mei 2010.

 

De dispositie van het orgel is als volgt:

Hauptmanual (I, C-f3)

Obermanual (II, C-f3)

Pedal (C-d1)

Principal 8 (front nieuw)

Geigenprincipal 8

Subbass 16

Bordun 16

Salicional 8

Violon 16

Hohlflöte 8

Gedackt 16

Octavbass 8

Gedackt 8

Flöte Traverse 8

Violon 8

Viola di Gamba 8

Lieblich Gedackt 8 (deels nieuw)

Posaune 16 (doorslaand)

Octav 4

Flauto Amabile 4

 

Hohlflöte 4

Oboe 8 (nieuw, vanaf c, doorslaand)

 

Quinte2 2/3

 

 

Octav 2 (nieuw)

Tremulant

Manualcoppel

Mixtur 4 fach

Calcant

Pedalcoppel

Cornett 4 fach

 

 

Trompete 8 (nieuw)

 

 

 

Voor een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis en de restauratie van het orgel zij verwezen naar het boekje ‘Het Friedrich Meyer-orgel in de Sint-Josephkerk te Utrecht’, dat bij onze kerk verkrijgbaar is voor € 6,- inclusief verzendkosten. U kunt dit bedrag overmaken op NL09RABO0384263453 ten name van R.K. Parochie St. Ludgerus te Utrecht, onder vermelding van: boekje orgel St. Josephkerk.